Theorieën over een tekening van Alfred Tepe
(1840-1920)
door Piet Daalhuizen, i.s.m. Jozef Reintjes en Cees Brugman.
Inleiding
Het
Rijksmuseum Catharijneconvent verwierf in 1995 een tekening van
een kerk van de hand van de architect Alfred Tepe. Verondersteld
wordt, dat de afgebeelde kerk de Jutphase St. Nicolaaskerk te
Nieuwegein is. Wie de tekening nader bekijkt, kan over het
afgebeelde gebouwde meerdere theorieën hebben. Wij zijn er niet
uitgekomen welke kerk omstreeks 1873 (de tekening is niet
gedateerd) door Alfred Tepe is geschetst. Onze bevindingen geven
we hierna weer.
Alfred Tepe
Wilhelm Victor Alfred Tepe (Amsterdam, 24 november 1840 –
Düsseldorf, 23 november 1920) was een Nederlands architect. Na
P.J.H. Cuypers is hij de belangrijkste architect van de
neogotiek in Nederland. Naar zijn ontwerp zijn vele kerken
gebouwd, met name in het toenmalige gebied van het aartsbisdom
Utrecht.
Tepe werd geboren te Amsterdam als zoon van een Duitse
textielhandelaar. Van 1861 tot 1864 studeerde hij architectuur
aan de Bauakademie in Berlijn, waar hij echter ontevreden was
over de sterk op het Classicisme gerichte opleiding. In zijn
vrije tijd bestudeerde hij het werk van E.E. Viollet-le-Duc, de
Franse expert op het gebied van de gotische architectuur. Van
1865 tot 1867 werkte Tepe voor Vincenz Statz, een van de
voornaamste architecten van de neogotiek in Duitsland, in
Keulen. Hier werd hij betrokken bij de restauratie en afbouw van
de Dom aldaar.
In 1867 ging Tepe terug naar Amsterdam, waar hij voor korte
tijd werkzaam was bij een zekere architect Ouderterp. Daarna
verhuisde hij in 1872 naar Utrecht, waar hij een van de
voornaamste beschermelingen zou worden van het St.
Bernulphusgilde. Dit gilde, bestaande uit een groep katholieke
geestelijken, kunstenaars en architecten, streefde naar een
heropleving van nationale tradities en vakmanschap in religieuze
kunst en architectuur. Met name werden invloeden van
middeleeuwse inheemse stijlen aangemoedigd, evenals het gebruik
van inheemse materialen als baksteen. In het meeste werk van
Tepe heeft deze ideologie een beslissende rol gespeeld.
Tussen 1871 en 1905 bouwde Tepe ongeveer zeventig kerken,
uitgevoerd in baksteen met weinig gebruik van natuursteen, met
de Nederrijnse gotiek uit de 15e en 16e eeuw als voorbeeld. Het
interieur werd in veel gevallen verzorgd door andere zich aan
het St. Bernulphusgilde conformerende kunstenaars, waarvan
beeldhouwer en schilder Friedrich Wilhelm Mengelberg de
belangrijkste was. Tot ongeveer 1882 had Tepe vrijwel een
monopolie op het ontwerpen van nieuwe katholieke kerken in het
kerngebied van het aartsbisdom Utrecht. Pas na de dood van
aartsbisschop Schaepman kregen ook andere architecten een kans.
Naast kerkgebouwen ontwierp Tepe vele andere gebouwen die vaak
wel op de een of andere manier verbonden waren met de katholieke
kerk, zoals kloosters, scholen en weeshuizen. Een belangrijk
voorbeeld hiervan is het Sint-Hiëronymus wees- en bejaardenhuis,
gelegen aan de Utrechtse Maliesingel 77, uit 1875-1877.
Vanaf ongeveer 1900 bouwde Tepe ook enkele kerken in
Duitsland. In 1905, toen opdrachten in Nederland uitbleven,
verhuisde hij naar Düsseldorf waar hij in 1920 overleed, een dag
voor zijn 80e verjaardag.
De tekening
De tekening, veel meer eigenlijk een schets, toont een
karakteristieke Tepe-kerk in neogotische stijl. Vanuit het
noord-oosten heeft men zicht op de gehele noordgevel met de
toren. Rechts van de kerk schetst Tepe een rivier in een wat
heuvelachtig landschap. Links van het kerkgebouw ontwaart men de
contouren van een bouwwerk of een ruïne daarvan.
Hierna vergelijken we twee kerken van Tepe met de tekening: de
St. Martinuskerk van Doornenburg (thans gemeente Lingewaard in
Gelderland), vergroot in 1873-1874; en de St, Nicolaaskerk van
Jutphaas (thans gemeente Nieuwegein), gebouwd in 1874-1875.
Beide kerken hebben overigens een speciale “band” met elkaar: De
Jutphase (bouw)pastoor G.W. van Heukelum is geboren in
Doornenburg.
De St. Martinuskerk van Doornenburg
Alfred
Tepe ontwierp rond 1873 de plannen voor vergroting/uitbouw van
de bestaande St. Martinuskerk, die in 1874 daadwerkelijk werd
uitgevoerd. Wie de tekening van Tepe vergelijkt met foto’s van
de in 1944 tijdens een bombardement vernielde kerk, kan veel
overeenkomsten waarnemen:
- De kerktoren is in vorm precies hetzelfde;
- De consecratieklok in het midden van de kerk, de
zogenaamde viering, staat op de foto en op de tekening;
- Het torenuurwerk zit op foto en tekening op dezelfde
plaats, evenals de galmgaten.
- Ook zijn er overeenkomsten wat het landschap betreft:
- De door Tepe geschetste contouren van een gebouw of een
ruïne zouden kunnen behoren bij het kasteel Doornenburg. Dat
was immers omstreeks 1870 in ernstige staat van verval.
- Het rivierlandschap en de heuvels daarachter passen in het
landschap rond Doornenburg. Dat staat overigens niet op de
foto, omdat het kerkgebouw te midden van de dorpskern is
gefotografeerd.
Met betrekking tot een aantal delen van het gebouw zijn niet
of nauwelijks vergelijkingen te vinden tussen de tekening en de
foto’s:
-
De
aanbouw aan de westzijde van de doopkapel staat geheel anders
op de tekening;
- De noorder kruisbeuk heeft op de tekening één doorlopende
verbinding met het dak van de kerk, terwijl op de foto’s
sprake is van een tweetal daken, die los zijn van het dak van
het middenschip van de kerk;
- De noorder kruisbeuk heeft op de foto een ronde vorm en op
de tekening een rechthoekig model;
- Op de tekening staat een traptorentje tegen de gevel van
de kruisbeuk en dat is op de foto’s niet aanwezig.
- Op de foto’s lopen de ramen van de kruisbeuk door tot
ongeveer 2 meter van de grond en is sprake van meerdere smalle
vensters, terwijl op de tekening sprake is van één groot
venster, dat bij circa 3,5 meter boven de grond ophoudt.
- Aan de toren is links, dus aan de zuidzijde, op de foto
een aanbouw te zien van vermoedelijk een traptorentje, dat is
op de tekening niet aanwezig.
De St. Nicolaaskerk van Jutphaas
Voordat de Nicolaaskerk in 1875 in gebruik werd genomen, werd
al vanaf 1688 gekerkt in de schuurkerk op het Overeind (nu: de
Malapertweg). Dit kerkje was voor de groeiende R.K. gemeenschap
inmiddels te klein geworden. Voor de bouw van een nieuwe kerk in
Jutphaas werd door het kerkbestuur, onder voorzitterschap van
pastoor C.H. van der Grind, in 1870 een stuk grond aangekocht.
Het bouwperceel was gelegen in de dorpskern van Jutphaas aan de
Dorpsstraat en behoorde bij de hofstede Nieuwenstein. Met de
huidige situatie vergeleken, ligt het bouwterrein ongeveer rond
de thans bekende Schoolstraat. Anders gezegd tussen de
woonhuizen Herenstraat 48 en Herenstraat 52.
In verband met gezondheidsproblemen vertrok pastoor van der
Grind naar een kleinere parochie (Benschop). Op 16 maart 1873
werd als (bouw)pastoor G.W. van Heukelum benoemd. In zijn
opdracht ontwierp Alfred Tepe een kerkgebouw in neogotische
stijl.
Toen echter begin 1874 de aanbesteding zou plaatsvinden, kwam
een veel mooier stuk grond beschikbaar, dat behoorde tot het
landgoed Zwanenburg. Tepe paste het bouwplan op onderdelen aan
en met een vertraging van ongeveer één maand vond alsnog de
aanbesteding plaats. Daar, thans Utrechtsestraatweg 6-8, is
vervolgens de nieuwe St. Nicolaaskerk gebouwd.
De
overeenkomsten tussen de tekening en de gerealiseerde St. Nicolaaskerk
zijn:
- De toren is op tekening en foto’s en in werkelijkheid,
overal hetzelfde;
- De vorm van de noorder kruisbeuk op de tekening komt
overeen met de werkelijkheid;
- De uitbouw voor de plaatsing van het gezinsaltaar, op de
tekening midden links van de kruisbeuk, komt overeen met de
werkelijkheid;
- Links tegen de kruisbeuk staat een traptorentje. Dat is
ook de werkelijkheid; daarin is de wenteltrap gerealiseerd die
naar de koorzolder en het orgel voert.
Bij deze kerk zijn met betrekking tot de volgende punten geen
overeenkomsten tussen tekening en werkelijkheid:
-
Het
torenuurwerk is in werkelijkheid lager aangebracht dan op de
schets is aangegeven;
- De hoogte van het grote venster in de kruisbeuk is in
werkelijkheid kleiner dan op de tekening is aangegeven;
- Onder het grote venster zitten in werkelijkheid twee zeer
kleine vensters, deze staan niet op de tekening;
- De kloostergang tussen – oorspronkelijk - huize Zwanenburg
en de kerk ontbreekt op de tekening;
- Het landschap rond Jutphaas is op geen enkele wijze te
vergelijken met de geschetste contouren van een gebouw en het
- vanuit de noord-oosthoek geschetste –heuvelachtige landschap
met een rivier.
Conclusie en theorieën
Onze gevolgtrekking is dat niet met zekerheid is te zeggen
welk kerkgebouw op de tekening van Alfred Tepe is aangegeven.
Zowel met betrekking tot Jutphaas als ten aanzien van
Doornenburg, zijn er grote verschillen tussen de tekening en de
werkelijke of historische situatie. Met betrekking tot Jutphaas
geldt dat óók voor de situatie als het bouwplan zou zijn
gerealiseerd aan de Dorpsstraat, zoals eerst de bedoeling was.
In dat laatste geval zou slechts de constatering ten aanzien van
de kloostergang vervallen.
De theorieën die de mogelijkheden aangeven zijn:
- Tepe maakte omstreeks 1873 een tekening, die als een soort
praatprent diende voor de uiteindelijke bouwplannen voor de
kerk in Doornenburg.
- Of de bouwmeester maakte een jaar later zo’n schets voor
het bouwen van de Jutphase St. Nicolaaskerk.
- Of hij schetste een andere kerk van de ruim zeventig die
hij in Nederland bouwde.
Wellicht zullen we het nooit echt weten!
Literatuur:
J.G. Böcker/A.E. Rientjes, Het Kerspel Jutfaas”, 1906 en
1947.
H.J.A.M. Schaepman, “De St. Nicolaaskerk van Jutfaas”, 1906.
http://nl.wikipedia.org
Met dank aan:
Chris van Asperen / Historische Kring Doornenburg.
Caspar Staal / Senior Conservator Rijksmuseum Catharijneconvent.
Deze bijdrage werd eerder gepubliceerd in Cronyck van de
Historische Kring. |