Overweging bij Jesaja 25, 6-10a en Matteüs 22, 1-14
over het uitgenodigd zijn op het bruiloftsfeest
“Kom
je naar mijn feest?”. Wie wil dat niet
horen? Er zijn kinderen die nooit op een
feestje van klasgenootjes worden
gevraagd. En ook volwassenen die bijna
nooit zo’ n uitnodiging krijgen. Daar
kunnen ze erg onder lijden. Het kan een
gedrag versterken van: ik hoor er toch
niet bij, ik ben toch niet de moeite
waard. Als je dat maar vaak genoeg tegen
jezelf zegt en als je je daar ook naar
gedraagt, dan krijg je geen vrienden.
Maar er kan ook een ommekeer komen. In
het hoofd en het hart van het kind, en
ook van een volwassene. Erbij horen, je
gewaardeerd weten, een bijdrage leveren
aan het geheel; ik denk dat we daar
allemaal naar verlangen. Maar komt het
er ook van? Aan deze dingen moest ik
denken bij het lezen van het evangelie
over het bruiloftsfeest. Je kunt als
kind of als volwassene soms het gevoel
hebben: het feest van het leven, het
bestaat, maar niet voor mij. Het is een
feest alleen voor genodigden. Je kunt
erin proberen te berusten. Maar het
blijft wringen.
Het nogal gewelddadige verhaal van
Jezus over het bruiloftsfeest kunnen we
beter begrijpen als we het in de tijd
plaatsen. Het is door Matteüs
gecomponeerd in de tijd na het jaar 70.
Er gebeurde in dat jaar iets dramatisch:
de tempel van Jeruzalem werd door de
Romeinen in brand gestoken en
afgebroken. Ze lieten alleen over wat je
nu nog kunt bezoeken: een muur. Een muur
die sindsdien niet voor niets de
Klaagmuur heet. Voor de hogepriesters
was die verwoesting een ramp. Er kwam
een einde aan ongeveer 1000 jaar joodse
tempelcultus, aan het ritueel slachten
van dieren en het offeren aan God. De
rol van de priesters was uitgespeeld. De
Farizeeën en schriftgeleerden namen hun
verkondigende taak over. We zouden ze nu
rabbijnen noemen.
De Jonge Kerk had een andere kijk op
de verwoesting van de tempel. De eerste
christenen duidden die als een straf van
God. De leden van de joodse elite hadden
in hun ogen laten zien dat ze het
bruiloftsmaal uit Jesaja niet waard
waren. Die elite had in het verleden een
aantal profeten laten ombrengen, en
uiteindelijk was ook Jezus door hen uit
de weg geruimd. Welnu: Jezus en die
profeten, dat zijn de dienaars uit het
verhaal die zijn omgebracht door de
genodigden van de bruiloft. De baas van
de dienaars, de koning, God, ontsteekt
in toorn en laat de stad van de
genodigden in brand steken. Die stad is
dus Jeruzalem. En diezelfde koning
nodigt vervolgens alle mensen langs de
straten uit voor het feest. Want het
feest moet doorgaan. Die mensen langs de
straten, zo zagen de eerste christenen
zichzelf. De bruiloftszaal liep vol
gasten. Want de jonge kerk groeide als
kool, juist onder arme mensen. Iedereen
was welkom, wat hij of zij ook op zijn
kerfstok had. Iedereen was welkom, als
je maar bereid was om open te staan voor
het evangelie. Als ze door je leefwijze
voortaan maar liet zien dat je echt te
gast wilde zijn op het bruiloftsfeest
van God.
Daarmee leg ik meteen dat laatste
gedeelte van het evangelie uit. Als je
bent toegetreden tot de jonge kerk van
de verrezen Christus, dan moet dat aan
je doen en laten te zien zijn. Ander
hoor je er niet bij en gooit de
gastheer, de koning je alsnog buiten.
Want velen zijn geroepen, maar lang niet
iedereen komt tot een ommekeer. Lang
niet iedereen laat zich echt raken door
God. Lang niet iedereen laat de liefde
van God echt tot zich toe en komt tot
een positiever zelfbeeld. Maar de
ervaring en de wetenschap dat je door
God bemind wordt zoals je bent kan je
ook in beweging zetten.
Terug naar nu, naar de mensen die het
gevoel hebben: “Er is wel een feest,
maar ik ben blijkbaar niet uitgenodigd”.
Misschien hebt u dat gevoel ook wel
eens. Of kent u anderen die dat gevoel
hebben. Wat moet er gebeuren opdat zij,
opdat wij opnieuw het gevoel krijgen:
ook ik ben uitgenodigd? Zo iemand moet
een innerlijke weg gaan, een weg van het
hoofd naar het hart. Niemand is te jong
of te oud om die weg te gaan. Bij het
hoofd horen alle redenen en oorzaken
waarom jij er niet bij hoort. Dat je
verlegen bent; dat je een zware last met
je meedraagt; dat je negatief over
jezelf denkt. Kan allemaal best waar
zijn. Maar het hoort bij het hoofd. Dat
mag nooit het laatste woord hebben. Je
moet de weg naar het hart durven gaan.
Dwars door je weerstanden heen. De
belangrijkste weerstand is vaak de pijn.
Pijn om wat je is aangedaan; pijn
vanwege de eenzaamheid; pijn vanwege de
onmacht om iets aan je situatie te
veranderen. Er zijn genoeg mensen die
zeggen: ik kan niet huilen. Soms kan het
ook heel lang duren voordat je bij je
verdriet durft te komen. Hulp van
anderen is nogal eens nodig. Anderen die
vertrouwen wekken. Anderen die bij
voorbaat iets uitstralen van: het feest
is ook voor jou, ook al ben je er nu nog
niet op gekleed.
Wie de weg van hoofd naar hart durft
te gaan zal weer bij het zuivere
verlangen komen. Het verlangen dat niet
meer belast wordt door angst of wanhoop
of cynisme. De taal van het verlangen,
dat is de taal van het hart. In de kerk
zeggen we dat God het is die steeds weer
het verlangen in ons wekt. Vandaag
gebeurt dat in een verhaal. Hij het is
die ons allemaal uitnodigt voor het
bruiloftsmaal. Niemand wordt
uitgesloten. De koning nodigt ons ook
uit om in het brood al iets te proeven
van dat maal. De communie is als het
ware voedsel voor onderweg bij ons gaan
van hoofd naar hart. Laten we dan zo
dadelijk ons geloof belijden in God, die
grote koning die ons allen steeds weer
een uitnodiging stuurt.
Hans Oldenhof |