Overweging
op Nieuwjaarsdag 2012 bij Numeri 6, 22-27
en Lucas 2, 15-21
Een jaar of 30 geleden maakte ik een viering
mee van een oecumenische basisgroep. Er
was daar geen vaste voorganger. De bijeenkomsten
werden op toerbeurt voorbereid. En er werd
geëxperimenteerd met oude en nieuwe vormen.
Een leerzame tijd. Een andere tijd. Ik herinner
me goed de keer dat we opgeroepen werden
elkaar te zegenen door om de beurt elkaar
de handen op te leggen en een gebed of wens
uit te spreken. Dat werd met aandacht gedaan
en maakte veel indruk op alle aanwezigen.
Het was altijd zo vanzelfsprekend geweest
dat alleen priesters of dominees ons zegenden.
Toen we elkaar zegenden voelden we pas hoe
positief geladen dit eenvoudige gebaar is.
We lazen de oude tekst uit het boek Numeri
met de plechtige tekst van de priesterlijke
zegen. We zingen hem ook regelmatig aan
het einde van onze vieringen. Een woord
dat er steeds in terugkeert is het woord
aangezicht, gelaat. We vragen dat God ons
ziet staan. In onze omgaan als mensen met
elkaar vinden we elkaar aankijken heel gewoon.
En als je elkaar niet meer wilt aankijken
is dat heel erg. Hoe is dat in de relatie
met God? We kunnen God niet zien, omdat
God God is. God woont in een ontoegankelijk
licht. Hij is verborgen aanwezig. Wij mensen
kunnen wel het gevoel hebben dat God zich
van ons afgekeerd heeft. Als we ons aan
onszelf overgeleverd voelen. Er zijn vele
bijbelverhalen waarin we dit terugzien.
God in de hemel kan vaak het onrecht of
het kwaad niet meer aanzien en wendt zijn
aangezicht af. Gelukkig zijn er ook teksten
genoeg waarin God zich vermurwen laat. Hij
overwint zijn boosheid en vergeeft. Hij
ziet de mensen weer staan, in hun zwakheid
maar ook in hun verlangen. Hij steunt en
bemoedigt hen. De priesterlijke zegen van
Numeri wil dit zichtbaar maken: Gods eeuwige
trouw aan de mensen.
In de bijbel is zegenen overigens niet
voorbehouden aan priesters, en dat is het
ook in de kerk niet. Mensen kunnen elkaar
zegenen, zoals ouders hun kinderen. We kunnen
voorwerpen zegenen, zoals vroeger en nu
soms ook nog wel gebeurde met huizen, auto's
en helaas ook met wapens. We kunnen ook
God zegenen, en daarmee onszelf toewijden
aan de Allerhoogste. Zegenen is een spel
van actief geven en actief ontvangen. Het
drukt een diepe verbondenheid uit, met op
de achtergrond altijd God als de verborgen
bron van alle leven. We zullen daarom zingen
straks: “Keer U om naar ons toe, keer ons
toe naar elkaar”.
In dit nieuwe jaar willen we om Gods
zegen vragen. We willen op onze beurt ook
de Allerhoogste zegenen, ons weer verbinden
met Hem als fundament van ons bestaan. En
we willen elkaar zegenen, door samen te
bidden. Als evangelie lazen we de tekst
uit Lucas over het bezoek van de herders
aan de stal en de besnijdenis van Jezus.
Allen stonden verbaasd over wat de engelen
tegen de herders gezegd hadden. En, zo staat
er, Maria bewaarde al deze woorden in haar
hart en bleef erover nadenken. Toen wij
gedoopt werden zijn er ook prachtige wensen
en zegenbeden over ons uitgesproken. Ze
waren niet alleen voor die feestelijke dag
bedoeld, maar voor heel ons leven. Wat er
ook gebeurt: als kinderen van God, als kinderen
van het licht zijn wij vanaf die dag bedoeld
voor het geluk. En we worden uitgedaagd
alles te doen wat bijdraagt aan geluk van
mensen. Opdat, zoals we zullen bidden en
zingen, het kwade in deze wereld wordt omgekeerd.
Laten we die zegenwens van bij onze doop
ook in ons hart meedragen en er regelmatig
aan terugdenken, nu wij het nieuwe jaar
ingaan.
Hans Oldenhof
|